elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: inbeelding

inbeelding , inbilding , inbeelding, verbeelding. ge hèt nogal wa inbilding, je hebt nogal wat verbeelding.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
inbeelding , iébeling , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , - , - , inbeelding , (klinker in tweede lettergreep is betoond) VB: De bis neet kraank, dat ês mer iébeling van dich. Zw: 'r Ês mêt iébeling geplaog: hij haalt zich allerlei muizenissen in het hoofd.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
inbeelding , inbilding , inbeelding
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
inbeelding , inbilding , inbeelding , ’t Is allemol mèr inbilding. Het is allemaal maar inbeelding.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
inbeelding , inbeelding , inbeelding is erger es boekpien – een ingebeelde ziekte kan erger zijn dan de ziekte zelf
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
inbeelding , inbieëling , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , inbieëlinge , verbeelding, waanidee
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal