elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: inzitten

inzitten , inzitten , er good inzitten = ruimte van gouden en zilveren sieraden bezitten.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
inzitten , inzitten , in verlegenheid verkeeren; hij zit ʼr over in = hij vreest er voor, bv. dat de effecten zullen dalen; ook: hij is beducht voor de gevolgen, (v. Dale: hij zit er mee in, hij is met de zaak verlegen); hij zit ʼr an de hals tou in = hij steekt diep in schulden. Zal zooveel zijn als: in benauwdheid, in ʼt zweet zitten. Ook Noord-Brabant.
door het ijs geraakt zijn, ook in ʼt algemeen: te water geraakt zijn; “daor hemmen dei jong en dat wicht inzeten” = op die plaats zijn beiden door het ijs gezakt (en verdronken); Jan har ien sloot zeten en kwam mit de natte krös ien school (of: schoul); snikjōng het ien daip zeten (Hoogeland).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
inzitten , inzitten , (zwak werkwoord, intransitief) , In huis zitten; wegens ziekte. || “Ik heb je broer der niet ’ezien.” “Ja, hij is ok sinds ’en paar dagen inzittende.” – Vgl. inliggen.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
inzitten , inzitten* , vgl. in *, bij v. Dale“er mee inzitten.”
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
inzitten , inzitte , werkwoord , Ook: thuiszitten wegens een kwaal of ziekte. Zegswijze erges over inzitte, zich ergens zorgen over maken. | Deer hei je echt niet over in te zitten.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
inzitten , inzitte , zout in, haet ingezaete , inzitten. Waat zou dao inzitte: wat steekt daarachter?
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
inzitten , inzitten , in er over inzitten in spanning zitten Hie zat er geweldig over in of e wal slaagd was (Sle), Wat he’k er over inzeten, dat is: wat he’k er een verdriet van, wat he’k er een zurge met (Smi)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
inzitten , iénzitte , werkwoord , interesseren , (zie 'zitte') Vb: Wat gebëurd ês, ês gebëurd, dao zit ich gaaroét neet mêt ién.; iénzitte mêt geïnteresseerd (geïnteresseerd zijn in) iénzitte mêt (zie 'zitten') VB: Of 'r oüch al wie 'nne lômmelekriemer debié löp, dao zit 'r niks mêt ién.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
inzitten , inzitte , werkwoord , meevoelen, d'r mej -, probleem hebben, een
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal