elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: jaargetijde

jaargetijde  , jaorgetie , jaargetijde.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
jaargetijde , joargetiede , jaargetijde.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
jaargetijde , jaorgetiede , jaorgetie , het , Ook jaorgetie (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. jaargetijde 2. (r.-k.) jaarlijkse mis voor een overledene
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
jaargetijde , jaorgetiede , zelfstandig naamwoord , et; jaargetijde, seizoen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
jaargetijde , jaorgety , zelfstandig naamwoord onzijdig , jaorgetyje , - , seizoen , jaorgety; jaardienst (bep. mis voor overledenen) jaorgety (vero.)
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
jaargetijde , jaorgetij , jaargetijde. ook “jorgetij”, “jaarlijkse herdenkingsdienst in de kerk.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
jaargetijde , jöörgetiede , (zelfstandig naamwoord) , jaargetijde.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
jaargetijde , [seizoen] , jôrgeteij , jaargetijde
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
jaargetijde , jaorgetie , (onzijdig) , jaorgetieje , jaargetijde
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
jaargetijde , jaorgeti-j , zelfstandig naamwoord, onzijdig , jaorgeti-jje , jaargetijde
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
jaargetijde , jòrgetij , jaorgetij , zelfstandig naamwoord , "jaargetij(de), jaardienst (mis); Stadsnieuws -  In dees jòrgetij kunde veul wènd verwòchte. (170310); WBD (III.3.5:125) jòrgetij = jaargetijde; K. Heeroma - Brabants uit de 18e eeuw (woordenlijsten Verster,1968) - JAARGETIJ - een dienst die bij de Roomschkatolijken jaarlijks voor de overledenen geschied. Zie Kiliaen; Bont jo'rgetè, zelfstandig naamwoord, onzijdig. jaargetij, ""jaarlijksche mis voor een of meer overledenen""; jaorgetij; jaargetijde; de herdenking van een sterfdag; Och, zôo heej ieder jaorgetij / iets wè ge wèl wardeert/ agget mar vat zôo asset komt/ èn nie veul lammenteert (Lechim; ps. v. Michel van de Ven; ongedateerd knipsel 1960-1980; uit: ‘Jaorgetij‘)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal