elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: jan

Jan , jan , zie: Kenau.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
jan , jammen , jannen , zekere soort van aardappelen; zij zijn uit Friesland hier ingevoerd, en men onderscheidt in den handel Friesche en Groninger jammen; thans spreekt men ook van zömer- en winterjammen. (v. Dale: jannen, eene zekere soort van aardappelen.)
jannen, verbasterde schrijfwijs voor: jammen. Uit Warfhuizen word (1873) gemeld: “Vooral zijn er vele ‘jannen’ of ‘jammen’ en hierin vindt men ook nu weder bijna geheel geene zieken.” Ook de Zeeuwen schrijven: jammen Advertentie (1893): “Puikste Blauwe en echte Zeeuwsche Jammen ... te Zierikzee.”
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
Jan , Jan , De vr. eigennaam hiervan gevormd is: Jenneken. Van Johan is gevormd de vrouwennaam Jannao, verklw. Jannäoken. Jan met den (i)eenen arm is de pomp (Zie bij: arm). Iemand die Jan heet, wordt soms begroet of geplaagd met het rijmpje: “Jan span an, / De peerden vöran, / De hond vörü̂̂t, / Daor g(i)eet Jan de poorte met ü̂̂t.”
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
Jan , Jan , mansnaam. Zegsw. Daar is ouwe Jan en jonge Jan in (van een kast, lade, enz., die erg vol is). – Hij is baas Jan, hij is er, hij is klaar. Een schipper zal b.v. van een andere schipper zeggen: Kees is baas Jan (Kees heeft al geladen, hij kan wegvaren). – ’t Is een slap Jantje, ’t is een weke broer; iemand waaraan men niet veel heeft. – Zoete Jan, zoetekoek; in de uitroep der koek-en-melkverkopers op het ijs: “Leg ereis an, leg ereis an! hete melk en zoete Jan (soms ook kouwe Jan)!” – Jan Krent, een pottekijker, Jan Hen. – Jan Langarm, de slinger van de pomp. || “Mag ik wat drinken?” “Gaan maar na Jan Langarm.” – Overdr. ook: Laat Jan Langarm maar thuis (d.i. schenk geen water meer bij de thee). – Jan Poppelap, een vervelende, suffe, saaie vent. – Jantje Stap-allemachtig, iemand die erg stapt. || Daar komt Jantje Stap-allemachtig an. – Jan Thuis-blijf; zie op wagen. – Zegsw. Ziezo, ik ben rijke Jan Dirksen, ik heb geld, of: ik ben binnen, b.v. als iemand bij het kaartspelen flink gewonnen heeft (Zaandijk). – Jan Oome en Jan Snotneus, te Zaandam als namen voor de lommerd. Jan Oom is ook elders bekend (Ned. Wdb. XI, 22).
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
Jan , Jan , De vr. eigennaam hiervan gevormd is: Jenneken. Van Johan is gevormd de vrouwennaam Jannao, verklw. Jannäoken. Jan met den (i)eenen arm is de pomp. (Zie bij: arm.) Iemand die Jan heet, wordt soms begroet of geplaagd met het rijmpje: Jan span an, / De peerden vö̂ran, / De hond vö̂rü̂t, / Daor g(i)eet Jan de poorte met ü̂t.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
Jan , Jan , over ouwe Jan en jonge Jan praten, b.v. vrouwen die elkaar op straat tegenkomen. Ook: ouwe Jan en jonge Jan zit er in, b.v. in iemands zak.
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
Jan , Jan , mannennaam, in de zegswijze Jan, Piet en Klaas, jan en alleman, iedereen. | Hai het bei Jan, Piet en Klaas werkt. – Mit Jan Bil z’n wagen, met de benenwagen, te voet. – Wat ’n Jan Klaassen!, wat een kouwe drukte, wat een omhaal. – Puur Jan Klaassen kroige, heel wat last, problemen krijgen. – Jan Rap en Jan Rinkel, Jan Rap en zijn maat. – Jan Rap en Piet Bel, Jan Rap en zijn maat. Mogelijk duidt ‘Rap’ op een oud woord dat ‘schurft’ betekende, terwijl ook gedacht kan worden aan een verkorting van Frans rapaille = gespuis. De naam ‘Bel’ sluit aan bij het Westfriese bel in de zin van ‘minderwaardig sujet’. – Jan Boezeroen, Jan met de pet, de mindere man. – ’n Jan Lul, een sufferd of domkop. – ’n Jan Aâr(l)evestap, iemand die zeer grote stappen neemt of iemand die onzeker loopt. – ’n Riddenéring van Jan Kallebas, een onzinnige redenering. – ’n Wois van Jan Blôtegat, een saaie melodie. – Zô komt Jan Splinter deur de winter, zo kom ik aan de kost, doorgaans schertsend opgemerkt als men een klein voordeeltje heeft. De naam Jan Splinter is waarschijnlijk ontleend aan een oude klucht ‘Het Testament van Jan Splinter’ (± 1600). – ’n Roike Jan Dirksen, een rijkaard, met name een rijke boer. De zegswijze kan betrekking hebben op een eertijds bekende boer met de naam Jan Dirksen of op een figuur uit een klucht. – Jan Slof het ’n grôte femilie, er zijn vele trage, nalatige lieden, met name als het aankomt op (terug)betalen of op het teruggeven van geleende spullen. Het woord ‘slof’ duidt hier op traag, gemakzuchtig. Vgl. de Nederlandse zegswijze uit zijn slof schieten = letterlijk uit zijn traagheid ontwaken. – ’n Jan Doedel, een sul. Vgl. doedel. Vgl. Engels doodle = sul. – D’r voor Jan Doedel bai zitte, er voor spek en bonen bijzitten. – Boven Jan weze, de (financiële) problemen te boven zijn, het goed voor elkaar hebben. Verkleinvorm Jantje, in de zegswijze voor Jantje Stom speule, zich van de domme houden, zwijgen. – Jantje Kontantje is winst voor Antje, maar Jantje Krediet speult de bal in ’t riet, oud rijmpje waarin kontante betaling geprezen en het kopen op krediet veroordeeld wordt.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
Jan , Sjèng, Sjèngske , naam , Jan.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
Jan , Jan , persoonsnaam , Jan Wat is dat een Jan vret vreetzak (Wes), Dat is ok een Jan zachies of: een dood van het gaanzenbord slome (Gas), Hie lig aaid te knibbeln echt zo’n Jan haalf centie (Gas), Het is een Jan hen schijterd, jabroer, ook een oud wijf van een kerel (Sle), zo ook Dat is gein kerel, dat is een Jan hen (Erf), Wat een Jan wind opschepper (Hijk), Jan en alleman wet er van (Wijs), Wat een Jan gat kwezel (Ruw), Tegen eine die alles bewaoren wil zeggen wie ein Jan Zaomel (Vtm), Wat is dat een mal Jan grapjas (Bal), In die deuze vin ij ole Jan en jonge Jan allerhande spullen (Scho), Jan boezeroen de gewone man (Pdh), Hij is weer boven Jan erboven op (Row), Dat is wat veur Jan met de pet de gewone man (Zwin), Och die Jan liefzeert zeur, pessimist (Bal), Wie bint dat? Jan Keutel en Triene Hokkebille van ’t Hogevene (Dwi), ook Jantie Klaplös en Triene Hokkebille of Haarm Zudde en Jantie Heideplagge gezegd als men geen antwoord wil geven (Dwi), Jan in de zak meelspijs (Sti), ook balkenbrij (Hgv), Jan in het hemd soort pudding in een linnen zak gekookt (N:Zuidwest-Drenthe), ook: In een blooudworstpuut wordt weitenmeel daon met wat gest veur het deien. Dit wordt in het waoter legd te koken. As het zowied klaor is, wordt de puut oet het waoter haold en komp de puut der um vort. Met een draodtie van een klossie wordt der plakken ofsneden van zowat eein cm dik. Dan is der ok al strooup smölten in mölk. Dit wordt op die plakken daon (Eex), Jan in de buul boekweitmeel, gekookt in een pan (Pes), Langzamerhand komt Jan in de boks wordt het wat (Bor), Jan trek de broek uut en an plant, Lychnis diurna (Ruw), Jan in de bukse avondkoekoeksbloem, Melandrium album (Bco), Jan en Greite in de koetse monnikskap, Aconitum napellus (Bco), Jan zonder harsens van slechte rogge (Ruw), Jan plak an a. spel, id. als anplakken (Hav) b. kleefkruid, Galium aparine (Zui) *Jan pak an, worst in de pan, krieg ik der ook een stukkie van? (Nor), Jan pak an, het is lèverworst / èet er niet te veule van / Aanders krieg ie dorst (Eli); Johannes de Doper / Mien kont is van koper / Mien neuze is van blik / Johannes de Doper bun ik. Dat wurd zeg um eine de gek an te steken, wel as veurnaam Jan of Jans had (Bco); Jan Courant hef ’t gat verbrand / Al in de kaolde winter / Toen mus Jan veur de dokter staon / Met zien blote stinkerd plaagrijmpje (Sle), ook Jan met de man hef ’t gat verbraand... (Hijk); Jan pankoouk / Jan pankoouk / Jan eerappeldeeif / Zit under taofel / En schet in een sleeif (Eex), ook Jan pankouk Jan pofferd...(Vtm), of Jan Siepel / Jan Klaosen / Jan eerappeldeif...(Bov); *Fred [februari] zee: Haar ik de macht as mien bruier Jan [januari], dan leut ik het an de eine kaante in de pot vreizen en de andere kaante koken (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
Jan , Jan , jongensnaam. Jan skraap mien de wöttel of ik vreet em zo ‘doe maar gewoon’, Jan Rap en zien maot ‘iedereen’, Jan Uien ‘sukkel’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
jan , jaan , aanmatigen , (zich aanmatigen) jaan Vb. Get van z'nne jaan mäoke; get van z'nne jaan mäoke dikdoenerig (dikdoenerig zijn) get van z'nne jaan mäoke; get van z'nne jaan mäoke opscheppen get van z'nne jaan mäoke (zie ('maken')
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
jan , [snijboon] , jennen , dikke jennen, gedopte snijbonen.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
jan , jan , 1. in de jan uuthangen de bloemetjes buiten zetten; 2. in jan met de enen arm, jan éénarm waterpomp.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
Jan , Sjeng , Sjengske, Sjang, Sjanke, Janne , Jan
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
Jan , Jan , eigennaam , Dirk Boutkan (1996) - (blz. 56) ik hèb Janne nòg gezien
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal