elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kakmadam

kakmadam , kakmedam , v , kakmadam.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
kakmadam , kakmedam , vrouwelijk , kakmedamme , kakmedemke , vrouw met veel noten op haar zang.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kakmadam , kakmadam , de , kakmadammen, kakmadams , kakmadam Een kakmadam is heilwat lieken en niks wezen (Bov), ...van boven bont en van ondern stront (Dro), Zie hef jaoren in de stad woont en moj is zien hoe zo’n kakmadam het worden is (Bor)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kakmadam , kakmedam , vrouw met capsones, opschepperig type
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kakmadam , kakmedam , kakmadam , zelfstandig naamwoord , de; kakmadam, vooral: vrouw die de madam speelt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kakmadam , kakmedam , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , kakmedamme , kakmedemke , vrouw , (die koude drukte maakt) kakmedam VB: Zoûws te hëur neet 'nne sént gëve, dy kakmedam !; (opgedirkte vrouw) kakmedam
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kakmadam , [kakmadam] , kakmedam , (vrouwelijk) , kakmadam
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kakmadam , kakmedam , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , kakmedamme , vrouw, aanstellerige , vrouw, hovaardige
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal