elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kanker

kanker , kaonker , kanker
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kanker , kanker , mannelijk , kanker; woekerplant op bomen et cetera.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kanker , kanker , kaanker , de , Ook kaanker (Zuidwest-Drenthe, zuid) = kanker Hij zal het wal niet lang meer maken hij hef kanker (Bov), Het is net of ik de kanker in de maag heb gezegd van buikpijn (N:ti)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kanker , kanker , kanker
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kanker , kaanker , zelfstandig naamwoord mannelijk , kaankers , - , kanker , VB: kaanker kênt allewyl bëter genëze wërde es vreuger.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal