elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kanon

kanon  , kenôn , kanon.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
kanon , kaanón , knón , vrouwelijk , kaanónne/knónne , kaanunke/knunke , kanon. Zoo zaat wie ’n kaanón, ook: kaanónnevol: stomdronken.; knón kanon
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kanon , kanon , kenon, knon , het , kanonnen , Ook kenon, tevens als knon uitgesproken = kanon Hie hef een woord as een kanon heeft een groot woord (Bui), Hij is zo kachel as een kanon erg dronken (Uff), ...zo doof as een kanon erg doof (Hgv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kanon , kenon , kanon.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kanon , kenon , kanon , zelfstandig naamwoord , et; kanon
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kanon , kenon , zelfstandig naamwoord , kenonne , kenonnechie , 1. klapbus D’r stong een kenon in d’n terrew om de mosse weg te jaoge Er stond een klapbus in het tarweveld om de mussen weg te jagen 2. kanon Ook klapbus, klapbos
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kanon , kenon , zelfstandig naamwoord onzijdig , kenonne , kenönsje , kanon , VB: De räojer van de kenonne oét d'n Iesten Oerlog zién dernao nog jaore laank gebruk doer de boere oét d'n ömtrêk.; zoe zäot wie e kenon stomdronken zoe zäot wie e kenon
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kanon , kenon , kanon.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
kanon , kenón , knón , (onzijdig) , kenónne, knónne , kenunke, knunke , kanon , Hae weurtj nog neet wakker al sjuuts se ei kenón naeve ’m aaf. Zoea zaat wie ei kenón. Zoea zaat es ei knón.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
kanon , kenón , zelfstandig naamwoord, onzijdig , kenónne , kenunke , kanon
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
kanon , kenon , zelfstandig naamwoord , "H. van Rijen (1988): 'kenon, knon' – kanon, verkleinde vorm 'knunneke'; Pierre van Beek – Wie des avonds ""zô zat as 'n kanon"" is, loopt veel gevaar des morgens ""zô ziek as 'n krab"" te zijn, beweert men in Tilburg al is het ons niet duidelijk waarom hier nu juist die ""krab"" en dat ""kanon"" bij te pas moeten komen. . (Tilburgse taalplastiek 2 Nieuwe Tilburgse Courant - zaterdag 11 februari 1950)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
Kanon , Kanon, het , Wim Lagendaal, Excelsior
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.
Kanon , Kanon, het , Huig de Groot, Sparta
Bron: Oudenaarden, Jan (2015), Wat zeggie? Azzie val dan leggie! Aspecten van het dialect van Rotterdam, Rotterdam.
kanon , kenón , kenónne , kanon
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal