elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kansel

kansel , kansel , de , kansels , kansel Het wordt van de kansel ofzegd (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kansel , kaansel , zelfstandig naamwoord , de; kansel, preekstoel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kansel , käonzjel , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , käonzjele , kënjzelke , dakgoot , VB: De môs de käonzjel 'ns naolore, ich gelûif dat ze ram versjtop ês.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal