elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kapitaal

kapitaal , kappetaal , Hoofdzom of Capitaal.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
kapitaal , kaptoal , kapitaal: ’n kaptoal geld, pleonastisch. Vgl. oa.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kapitaal , kapitaal , kaptaal , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Daarnaast kaptaal. Zie de wdbb. || Dat kost geen kaptaal.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kapitaal , kaptáál , zelfstandig naamwoord ’t , Kapitaal.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
kapitaal , kappetaal , onzijdig , kappetaale , kappetaelke , kapitaal.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kapitaal , kaptaol , kapitaol, kaptaal, kapitaal , het , kaptaolen , Ook kapitaol (Zuidwest-Drenthe, zuid, Zuidoost-Drents veengebied), kaptaal, kapitaal (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = kapitaal Hie hef zien hiel kaptaol verzeupen (Sle), Die Freeize klok daor an die muur is kaptaolen weerd (Eex), Het kapitaal sprek gezegd als iemand met veel geld iets doet of bereikt (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kapitaal , kaptaol , zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord , kapitaal. Gunninks woordenlijst van 1908: Een kaptaol uus ‘een prachtig huis’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
kapitaal , kaptaol , kapitaal.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
kapitaal , kappietaol , kapitaal , És ge ne nuuwe waoge moet kóópe dan héd'de vórt 'n kappietaol nóddeg. Als je een nieuwe auto moet kopen dan heb je nu een heleboel geld nodig.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
kapitaal , kaptaol , kapitaol, kaptaal , zelfstandig naamwoord , et 1. het kapitaal waarover men rente ontvangt 2. iemands vermogen 3. grote hoeveelheid geld 4. kapitaal voor of van een onderneming
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kapitaal , kapitaol , kaptaol , bijvoeglijk naamwoord , zeer groot en duur (van een groot huis, gebouw anderszins)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kapitaal , kappetaol , zelfstandig naamwoord onzijdig , kappetaole , kappetëulke , kapitaal , VB: Dy femiélie hèt hëur gaans kappetaol opgemak aon affekaote en prosedere.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kapitaal , kappetaal , kapitaal
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
kapitaal , kaptaal , kaptaol , (zelfstandig naamwoord) , kapitaal.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
kapitaal , kaptaol , kapitaal.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
kapitaal , kappetaol , zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord , H. van Rijen (1988): kapitaal
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal