elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kapzaag

kapzaag , kapzoag , kapzoage , zaag met verdikte rug, vaak gebruikt om beenderen door te zagen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
kapzaag , kapzaech , vrouwelijk , kapzaege , kapzaechske , kapzaag, of: toffelzaag. zie: tóffelzaech.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kapzaag , kapzaege , zelfstandig naamwoord , de; zaag met een rug
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kapzaag , kapzèg , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , kapzège , kapzègske , toffelzaag , VB: 'n kapzèg ês 'n sjtyf zèg mêt fién tennekes
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal