elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: karper

karper , karper , karpel, korpel , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Gewoonlijk in de vorm korper. Daarnaast met een ander suffix karpel en korpel. Zekere vis. || Ik heb ’en korper ’evongen. Seker Vis, den Korper niet ongelijk, Reys na de Oost-Ind. 20 v°. Den Korper Beugel ende Hengel Roed sullen altyt vry syn (keur op de visscherij, a° 1625), Handv. v. Assend. verv. 421. Corpere beugels, slyckbeugels off diergelijcke instrumenten, Hs. keur (a° 1659), archief v. Assendelft; de gedrukte tekst in Handv. v. Assend. 221 heeft “Carper-beugels”. Der bennen veul karpels in die sloot. – De vorm korper is ook verderop in N.-Holl. gewoon en komt o.a. voor bij BREDERO, Moortje 706. In de Middeleuwen ook elders in Holl.; vgl DOZY, Oudste Rek. v. Dordrecht 62 (a° 1285): “Van vive ende twintich corpere 18 (scelling).” – Overdr. ook drenkeling. || Zo, heb-je korper ’eweest? We kregen guster ’en korper thuis. – Vgl knol en kroes.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
karper , korper , kurper , zelfstandig naamwoord de , Variant van karper.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
karper , kėrp , mannelijk , kėrpe , kėrpke , karper.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
karper , karper , kaarper , de , karpers , Ook kaarper (Zuidwest-Drenthe, noord) = karper Een karper is een zuitwatervis (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
karper , kärper , karper
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
karper , kurrepel , zelfstandig naamwoord , kurrepels , kurrepeltie , karper Hij haddun kurrepel van vier pond gevange
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
karper , kérp , zelfstandig naamwoord mannelijk , kérpe , kérpke , karper , VB: 'nne kérp ês 'nne lekker sjmäokende riviervêsj.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
karper , kerp , (mannelijk) , kerp , kerpke , karper , Ich höb ei paar kerp gevange.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
karper , kêrper , kêrp, karp, kârp , zelfstandig naamwoord, mannelijk , kêrpe/karpe/kêrp , kêrperke/kêrpke , derde vorm Ospels; vierde vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); karper
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal