elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: karretje

karretje , kerke , zelfstandig naamwoord , vodden , (achter zijn vodden aan zitten) op ze kerke zitte VB: Dè môs te altiéd op ze kerke zitte aanders mak 'r noets z'n hoéswérk
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
karretje , van e kerke , zelfstandig naamwoord , gepeupel , van e kerke (onzijdig, geen meervoudsvorm)
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
karretje , kèrke , klein wagentje op twee wielen, dat voortgeduwd wordt, een zogenaamd douwkèrke
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
karretje , kretje , zelfstandig naamwoord , handkar (West-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal