elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kavalje

kavalje , kavaak , klemtoon op –vaak , onzijdig , kavaaker , groot ding, voorwerp en dergelijke.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kavalje , kavaalje , onzijdig , kavaaljes , oud, versleten dier, gebouw et cetera.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kavalje , kavalje , kevalje , het , kavaljes , Ook kevalje (Midden-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) = oud huis, oud gebouw Wat is dat een kavalje gao der maor niet in het kan zo instörten (Gie), De schure is zo zachiesan ook een old kavalje (Die)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kavalje , kavalje , zelfstandig naamwoord , et; oud, vervallen gebouw
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kavalje , kevejjer , zelfstandig naamwoord mannelijk , kevejjers , - , durfal , VB: Dè kevejjer leep dich toch uüver de kapboüm van 't hoés, v'r hebbe doedsangste oétgesjtaande.; vrouw (bazige vrouw) kevejjer
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal