elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kegelen

kegelen , kiegelen , wippen (een kinderspel).
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
kegelen , kégelen , Vallen. Op de grond, van de b(i)eenen kégelen.
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
kegelen , kégelen , Vallen. Op de grond, van de b(i)eenen kégelen.
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
kegelen , kiiegelen , [kīegǝln̥] , kegelen
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
kegelen , keigele , keigelde, haet gekeigelt , kegelen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
kegelen , kegele , werkwoord , het aanharken ( *rijve) van het grind om het huis (de *kegels ); dit gebeurde altijd op zaterdag (KRS: Hout)
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
kegelen , kegeln , zwak werkwoord, (on)overgankelijk , 1. kegelen Zie gungen een aovend oet kegeln (Oos) 2. gooien Hij kegelde de heile boudel ondersteboven (Erf)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kegelen , kegelen , werkwoord , 1. het kegelspel spelen 2. kegelend gooien, vallen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kegelen , keegele , werkwoord , keegel, keegelde, gekeegeld , 1. beerput ledigen Ze motte vanaevend keegele, dan ken de hêêle buurt geniete 2. nat geroot vlas op kegels (kapellen) zetten Keegele is een slecht werk, je krijg ’t ervan ijje rik en je krijg vuile hande 3. uierlekkage bij een drachtige merrie De merrie keegelt; ze mot al gauw wurrepe De merrie verliest melk; zij zal wel gauw veulenen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
kegelen , kèigele , werkwoord , kèigelde, gekèigeld , smijten , (eruit smijten) droét kèigele VB: Wie 'r 'nne groete moond begôs op te zitte heb v'r 'm droét gekèigeld.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal