elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: kerfstok

kerfstok , kerfstok , Een aloud rekenhoutje of staafje, nog hier en daar op ’t platte land niet geheel in onbruik bij menschen die niet kunnen lezen of schrijven. Op zoodanigen stok of lat nu teekent de eenvoudige arbeider b.v. de dagen aan, die hij voor zijn lanter of anderzins in ’t werk geweest is, en wel door een eenvoudig kerfje of insnijding, welke hij later bij de afrekening slechts behoeft saam te tellen, om te weten hoe veel dagen arbeidsloon hem toekomt; van daar de spreekwijze: de kerfstok is vol, waardoor men te kennen wil geven, dat het tijd wordt om de onderlinge rekening te vereffenen. Vergelijk Kiliaan op kerf, kerfhout, kerfstock.
Bron: Buser, T.H. (1856-1861), ‘Geldersch Taaleigen’, in: De Nederlandsche Taal 1856, 1: 13-17, 163-188; 1857, 2: 194-217; 1858, 3: 271-278; 1859, 4: 186-197; 1861, 6: 61-68.
kerfstok , karfstok , (kerfstok), in de zegswijs: men ken (of: mout) nijt alles op de karfstok nemen = men kan niet alles op een goudschaaltje wegen, onder vrienden moet men het niet zoo nauw nemen als het op verrekenen van uitgaven, (bv.) eener reis, aankomt. – Voorheen maakte men gebruik van houten kerfstokken, waarop het verschuldigde werd aangeduid door kerfjes, en onze uitdrukking dus eigenlijk zooveel als: men moet geene kleinigheden aanteekenen of in rekening brengen, onbeduidende dingen behoort men over het hoofd te zien.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
kerfstok , kerfstok , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zegsw. Hij weet wel, dat zijn kerfstok van ijzer is, hij weet, dat hij geen kwaad kan doen, dat hem alles vergeven wordt. Vgl. bij HARREBOMEE 1, 360: “de kerfstok is nog geen ijzer”, en HUYGENS, Hofwijck 2645 (sprekende van zijn kinderen): “Vijf haelers op een’ kerf (kerfstok) die noyt van yser wordt.”
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
kerfstok , karfstok , de , kerfstok Ze hebt hum pakt veur een kleinigheid mar toen kwam an het locht dat hij veule meer op zien karfstok had (Bro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
kerfstok , karfstok , kaarfstok , zelfstandig naamwoord , de; kerfstok
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
kerfstok , get op z'nne kérfsjtok hebbe , geweten , (iets op zijn geweten hebben) get op z'nne kérfsjtok hebbe
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
kerfstok , kaarefstok , kerfstok.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
kerfstok , kärfstok , (zelfstandig naamwoord) , kerfstok.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal