elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klodder

klodder , klodder , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , Kladdige, trillende klomp van een dikke, brijachtige stof. || Een dikke klodder stroop. Je moete je gezicht wat beter ofvegen; der zit nog ’en klodder scheerzeep op je wang. Neem maar ’en goeie klodder butter. – Het woord is in dezelfde zin ook elders bekend, b.v. in Overijsel (TE WINKEL, Nieuw Taalk. Magaz. 3, 219); VAN DALE vermeldt het als gewestelijk. Zie verder FRANCK 461, DE JAGER, Freq. 2, 262 en Schijnb. Freq. 55. – Vgl. kladodder.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
klodder , kladodder , (met klemtoon op dod) , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Iets dat dik en klodderig is (de Wormer). In verschillende toepassingen: Van de grote strontdotten (dotten wol, die met drek bevuild zijn) der schapen. || Hè, wat ’en kladodder! – Van klonters modder. || Wat heb dat peerd ’en kladodders modder an zijn poten. – Van een pruim tabak. || Ik zel der nag (nog) maar ’en kladodder bij doen. – Ook van een dikke meid, een dikke kloen. || ’t Is zo’n kladodder. ’En kladodder van ’en meid. – Vgl. doddel en klodder.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
klodder , klodder , zelfstandig naamwoord de , Kluit van een dikke, brijachtige massa. | ’n Klodder klaai, ’n Klodder deig, ’n klodder vurf enz.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
klodder , klodder , mannelijk , kloddere , klödderke , klodder.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
klodder , klodder , de , klodders , klodder Wat hej toch een klodder an de klompen zitten (Pes), Hoou is die klodder vaarf daor opkommen? (Gas), Een klodder in het schrift grote inktvlek (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
klodder , klodders , frambozen op brandewijn
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
klodder , klodder , klodde, kladder , zelfstandig naamwoord , de; 1. klodder, klonter 2. vlek
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
klodder , klôdder , zelfstandig naamwoord mannelijk , klôddere , - , klodder , VB: Doég dè klôdder zjem 'ns van de taofel, dalik koëme de wêspele drop aof.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
klodder , [melkboer] , klodder , (schertsend) melkboer (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
klodder , klaoter , klodder
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.
klodder , knódder , modder
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal