elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klontje

klontje , klōntje , stukje kandij; klōntjes = kandij, en: stukjes kandij, dus zoowel stof- als voorwerpsnaam. Bij v. Dale: klontje = suiker in klontjes (= kleine klonter of klont), kandij of broodsuiker. En art. kandij: gekristalliseerde suiker, gewoonlijk klontjes geheeten. – klontjes broodsuiker worden alleen in de logementen gebruikt; het volk neemt klōntjes bij de koffie; de gegoede stand maakt meer en meer gebruik van suiker bij koffie en thee. (Onze groote beminnaressen van koffie geven verreweg aan de klōntjes de voorkeur.) – Samenstellingen: borstklōntjes, eene soort, donkerbruin van kleur, die vooral tegen het hoesten wordt aangewend; klōntjegroes, in annonces kandijgruis, het gruis dat van de kandij afbrokkelt; klōntjescheer = klōntjetang = klōntjeknipper, een werktuigje, soort van knijptang, om de stukken kandij in kleinere stukjes te breken, om de klōntjes te knippen, en daarmee den klōntjepot te vullen, die op tafel wordt gezet met de uitnoodiging: ie mouten ’n klōntje kriegen. (De zeer eenvoudige, echt ouderwetsche huismoeder legt echter elk der aanzittenden één er van in het schoteltje): – mit de klōntjekörf loopen (Hoogeland) = kruidenierswaren bij de huizen verkoopen. Zegswijs: ’t glidt as ’n klōntje = dat gait as ’n klōntje = die zaak loopt glad van stapel, ondervindt geen tegenstand; da’s zoo kloar as ’n klōntje = dat kan elk begrijpen, ook: dat is voor geen tegenspraak vatbaar, elk moet het beamen; veur gijn hōnderd pond klōntjes! = ik doe het voor geen nog-zoo-veel! – slappe thee en gijn klōntjes! zooveel als: daar wordt men niet best onthaald, die lui zijn zeer zuinig. Friesch klûntsje, Geldersch kluntjen, Oostfriesch klumpje, klumpke, kluntje, kluntke.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
klontje , kluentjen , zelfstandig naamwoord, onzijdig , klontje
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
klontje , kluntie , klontje.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
klontje , kluntje , klontje , Un kluntje sûiker in de koffie én 'n goej zwats vorse rómme dé was paas lékker. Een klontje suiker in de koffie en een flinke scheut verse melk dat was pas lekker.
Meervoud kluntjes. Héij moet óp de kluntjes winkel paase. Hij moet op de klontjeswinkel passen. Werd gezegd van een vader die enkele mooie tienerdochters had.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
klontje , klötsje , zelfstandig naamwoord onzijdig , klötsjes , - , klontje , (suiker) klötsje VB: Vuur mich èi klötsje sôkker, ich been neet zoe 'nne zeute.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
klontje , kluntje , klontje , ’n Kluntje bòtter. Een klontje boter., ’t Is zu klôr ás ’n kluntje. Het is zo klaar als een klontje.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
klontje , kloentjen , klontje; kloentjestang, (suiker)klontjestang.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
klontje , kluntje , kluntjes , klontje
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal