elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: klopper

klopper , klopper , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Zie de wdbb. – Kloppertje maken te Krommenie voor deurtje-schel doen; zie deur I.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
klopper , klöpper , mannelijk , klerenklopper. ook: drijver op de jacht
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
klopper , [jongen die voorafgaand aan de collecte aanschelt] , klopper , man of jongen, vroeger een weesjongen, die aan de man met de bus voorafgaat om aan te schellen (bij een collecte).
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
klopper , klöpper , klöppert , m , flinke kerel.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
klopper , klöppert , mannelijk , klöppesj , klöpperke , klopper; vechtersbaas; deurklopper.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
klopper , klopper , de , kloppers , (wm, Midden-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, noord). Var. als bij kloppen = 1. slagdeel van een dorsvlegel (Zuidoost-Drents zandgebied, wm) 2. grote hamer om palen mee in de grond te slaan (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, noord) De klopper lag in de schuur (Eri), zie ook holtslag, klophamer 3. iem. die aanklopt Dan leut Lenao de kloppers maor wèer toe, want de wichter die wolden ze wal toelaoten (ti) 4. klopper op een deur
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
klopper , klöpper , flinke jongen , Ne klöpper dés't zélfde és ne kanjerd, dé moet wél iet bezunders zén. Een flinke jongen dat is hetzelfde als forse jongen, dat moet wel iets bijzonders zijn.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
klopper , klopper , zelfstandig naamwoord , de; 1. deurklopper 2. vlegelknuppel
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
klopper , klöpper , zelfstandig naamwoord mannelijk , klöppers , klöpperke , garde , (keukengereedschap) klöpper VB: Pak dich mer dè klöpper, daan môs te 'ns lore wie 'ns sjoen saws te krys.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
klopper , klopper , degene die bij het eikschillen de bast los van het hout klopt; klopgat, eenmansgat waarin de klopper (tot zijn knieën) staat, zodat hij (soms ook zij) niet hoeft te bukken.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
klopper , klòpper , zelfstandig naamwoord , garde; WBD (III.2.1:169) 'klopper' = garde
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
klopper , klöpper , klöpperke , garde
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal