elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: acht dagen

acht dagen , achdoag , achdoage , (acht dagen), voor: week; mit ’n groote achdoage is ’t mart; mörgen over achdoag is ’t poask. Middel-Nederlandsch achdage, ook achtage, samenkoppeling van acht dage. (In plaats van: twee weken zegt men steeds: vijrtien doag.) Vgl. achste, alsook het West-Vlaamsch: achtdage werk = een uurwerk dat eenmaal in de week wordt opgewonden (De Bo).
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
acht dagen , acht dääge , achttääge , een week; våndääge uaaver acht dääge: vandaag over een week
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
acht dagen , âchdaag , mv , acht dagen Zótterdag âchdaag geleje verleden week zaterdag.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
acht dagen , acht daeng , woensdag oaver acht daeng, woensdag over een week.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
acht dagen , achdaege , zelfstandig naamwoord , een week ’k Bin al in achdaege nie verdeur geweest Ik ben al in een week niet buiten geweest Maandag over achdaege Maandag over een week
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
acht dagen , acht daag , een week; vandaag acht daag – vandaag over een week ook waêk
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal