elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: achterhaam

achterhaam , [paardentuig ] , achterhaam , (mannelijk) , paardentuig waarmee het achterste van het paard de kar achteruit duwt , Hae trèktj d’n achterhaam: hij zet zich nauwelijks in; hij is te lui om te werken.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
achterhaam , achterhaam , zelfstandig naamwoord , achterhame , achterhaemke , leren tuig dat een paard achter op de billen draagt; inne achterhaam gaôn – niet meewerken, tegenwerken
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
achterhaam , achterhaam , awterhaam, awchterhaam , zelfstandig naamwoord, mannelijk , aw(ch)terhame , aw(ch)terhaemke , tweede en derde vorm Ospels; staartriem bij paard
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal