elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afdroogdoek

afdroogdoek , ofdrougdoek , zelfstandig naamwoord de , Vaatdoek.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
afdroogdoek , ofdreugdoek , ofdruugdoek , zelfstandig naamwoord , de; afdroogdoek
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afdroogdoek , [theedoek] , aafdruuegdook , (mannelijk) , theedoek, zie ook afdrooghanddoek
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
afdroogdoek , aafdruëgdook , zelfstandig naamwoord , aafdruëgdeuk , aafdruëgdeukske , theedoek
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal