elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afhebben

afhebben , ofhebben , sterk werkwoord, overgankelijk , klaar hebben Hij mus naoblieven, hij har de sommen nog nich of (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afhebben , aafhöbbe , werkwoord , hiët aâf, haai aâf, aafgehadj , klaar zijn met: het werk aafhöbbe – klaar zijn met het werk; de vogel aafhöbbe – 1. bij het jaarlijkse koningsschieten van de schutterij de houten vogel die op een hoge paal is geplaatst afgeschoten hebben 2. zijn doel bereikt hebben
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal