elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: afpikken

afpikken , afpikke , afnemen, afpakken Héj liêt zien néêfs z’n látste cênten ok nog afpikke. Hij liet zijn laatste geld ook nog door zijn neefs afpakken; Ge zót ’t bekant afpikke mi die hétst! Het niet afkunnen met zo’n hitte.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
afpikken , ofpikke , werkwoord , Afpakken, inpikken. | Die hufter het al m’n knikkers ofpikt.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
afpikken , afpikke , ’t afpikke, sterven.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
afpikken , ofpikken , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. afpakken, stelen Ze hebt mij mien maagien of epikt (Hgv), ...de fietse of epikt (Eli), Dat wi’k niet missen, dat laot ik mij niet ofpikken (Wsv) 2. afgooien bij een spel Hij hef mij aal mien knikkers ofpikt (Eex), Wij hebt een pikstene um mekaor of te pikken (Hijk), Ze hebben mai ofpikt met neutie schaiten (Row) 3. bepikken door kippen van een soortgenoot (Zuidwest-Drenthe, zuid) Der wordt een kiepe of epikt, daor mouwe wat an doen (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
afpikken , afpikken , sterven.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
afpikken , af te pikke , dood te gaan , Wa is’t hier hiit, t’is hier um’t af te pikke. Wat is het hier heet, het is hier om dood te gaan. Het is hier onbarmhartig warm.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
afpikken , ofpikken , werkwoord , 1. afpikken, afhandig maken 2. bij kippen: door te pikken proberen te verjagen, verstoten 3. door tegen iemand aan te gooien af doen zijn
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
afpikken , afpikke , stikken
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
afpikken , aafpikke , werkwoord , piktj aâf, pikdje aâf, aafgepikdj , het emes aafpikken – het winnen van iemand, iemand overtreffen: ich bön diek, mer hae piktj het mich nog aâf – ik ben dik, maar hij is nog een tikkeltje dikker
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
afpikken , aafpikke , werkwoord , piktj aaf, pikdje aaf, aafgepiktj , ontnemen, doodgaan
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
afpikken , afpikken , ’t was zo koud, ik stong me eige af te pikke, het was erg koud
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
afpikken , afpikke , zwak werkwoord , het tegen iets of iemand afleggen; Mar dè's ok gin wonder want dieë Piet [Pijnenburg]  is 'ne zisdaogen-renner in de wol geverfd, daor mot iedereen 't van afpikken. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 6; 21-11-1929)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal