elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bedienen

bedienen , [dienst bewijzen, de sacramenten toedienen] , bedienen , noemt men hier het toedienen van de laatste H. Sacramenten aan stervende Katholieken, na afgelegde biecht. Wanneer iemand dezelve alle ontvangen heeft
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
bedienen , bedijnen , zie toupakken *, doch “bedienen” is in dezen zin ook Nederlandsch.
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
bedienen  , bedeene , bedeen, bedeens, bedeent, bedeende, bedeend , bedienen.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
bedienen , bedeenn , werkwoord , bedienen. Ik zal um wal’s aans bedeenn, ik zal hem de les wel eens lezen, op zijn nummer zetten
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bedienen , bediêne , voorzien van het sacrament van de zieken; [r.k.] De pestoor hét ’m bediend.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
bedienen , bedeine , bedeinde, haet of is bedeint , van de laatste Heilige Sacramenten van de Rooms-Katholieke Kerk voorzien, ouder is: “verzeen waere”. Ich bén bedeint: ik heb er genoeg van.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bedienen , bedienen , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. verzorgen, voorzien van het benodigde Hij wordt op zien wenken bediend (Bui), Hij lat hom bedeinen zich bedienen (Row), Aj de meinsen goed bedienden, dan hul ie ook klaanten (Koe), Ik zal oe netties bedienen goed behandelen (Dwi), Hij giet geregeld uut bedienen is dan kellner (Zdw), De buurvrouwlu kwamen te bedeinen bij bruiloft of begrafenis (Gie), Wij bedienen ouszölf, as wij met het woordenboek an de gang binnen (Nor) 2. een ambt waarnemen De domnee bediende de deup an vief kinder (Pdh) 3. het H. Oliesel toedienen aan een stervende (r.k.) Hij is nich veul meer, hij is al bedeind (Bco), Ik heb liever dat ie mij bedienen as de pastoor (Mep) 4. een kaart van de gevraagde kleur of troef bijleggen Hej gien troef? Ie hebt niet bediend (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
bedienen , bediénen , het sacrament der stervenden toedienen.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
bedienen , bedene , werkwoord , bedeende, bedeend , bedienen , VB: De klaante bedene. Zw: 'r Leet zich bedene: hij is makkelijk uitgevallen. Zw: Hëum ês niks bedeend: hij is niet waard dat hij iets krijgt omdat hij het verwaarloost of vernielt. Zw: Bedeen uch noch 'ns: neem nog wat van het opgediende voedsel. Zw: 'nne Bedene: iemand de Laatste H. Sacramenten toedienen. Zw: 'r Ês nog t'n volle bedeend kênne wërde: hij heeft de Laatste Sacramenten nog kunnen ontvangen. Zw: De bis good bedeend: goed voorzien. Zw: Bedeen dich mer good: neem er maar van in ruime mate. Zw: Zich bedene van luüges.: zich met leugens denken te behelpen.; bedeende, good bedeend voorzien (goed voorzien) good bedeend VB: Hié, ich heb dich 'n haf oons mie gegëve, daan bis te toch good bedeend, of neet?
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
bedienen , bediene , H. Oliesel toedienen
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
bedienen , bediene , werkwoord , het Heilig Oliesel toedienen (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
bedienen , bedene , bedeentj, bedeendje, bedeendj , 1. bedienen, werken in de horeca, opscheppen van eten 2. sacrament dat aan zieken en stervenden wordt toegediend , Bedeen dich mer good: schep maar genoeg op, eet maar goed.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bedienen , bedéne , werkwoord , bedeenjtj, bedeenjdje, bedeenjdj , 1. bedienen 2. een stervende het Heilig Oliesel toedienen: hae is bedeenjdj – hij heeft het Heilig Oliesel, het Sacrament der Stervenden/Zieken ontvangen; hae is dae noewe fiets neet bedeenjdj – die nieuwe fiets is niet aan hem besteed
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
bedienen , bedéne, zich , werkwoord , bedeenjtj, bedeenjdje, bedeenjdj , 1. eten opscheppen; hae hiët zich good bedeenjdj – hij heeft royaal eten voor zichzelf opgeschept (Frans: se servir) ook oetkriege, zich opsjöppe 2. zich beperken omdat er niet voldoende middelen aanwezig zijn
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
bedienen , bedeêne , werkwoord , bedeentj, bedeendje, bedeendj , bedienen, bekennen (bij kaartspel), toedienen H. Oliesel
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
bedienen , bedaene , bedinde – bedind , bedienen
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal