elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bedkoets

bedkoets , beddekoets , voor bedstede. Algemeen in de mindere standen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
bedkoets , bëtkótsj , vrouwelijk , bëtkótsje , alkoof.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
bedkoets , beddekoetse , zie koetse
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bedkoets , bèdkoets , zelfstandig naamwoord , bèdkoetse , bèdkoetske , bedstee (koets is ‘slaapplaats’; Frans: coucher – slapen)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal