elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bekoren

bekoren , bekoorn , werkwoord, zwak , bekoren, behagen. Wat gin ooge zut, bekoort gin hatte, wat ’t oog niet ziet, bekoort het harte niet
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
bekoren , bekoren , bekoren
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
bekoren , bekoeëre , werkwoord , bekoeërtj, bekoeërdje, bekoeërdj , bekoren
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
bekoren , bekoore , zwak werkwoord , bekoren; B bekoore - bekoorde - bekoord; — vooaalkrimping in tegenwoordige tijd: gij/hij bekórt
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal