elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: beschuldigen

beschuldigen , beschuldîgen , voordeel aanbrengen, de kosten door de opbrengst goed maken.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
beschuldigen , besjöldige , besjöldichde, haet of is besjöldich , beschuldigen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
beschuldigen , beschuldigen , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. beschuldigen Ie mugt ien zomar niet beschuldigen, aj gien bewies hebt (Zwig) 2. voordeel opleveren, de onkosten goedmaken (dva)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
beschuldigen , besjöldige , werkwoord , besjöldigde, besjöldig , beschuldigen , VB: Ich heb hëur vaals besjöldig, dat sjpit mich érg.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
beschuldigen , besjöldige , besjöldigtj, besjöldigdje, besjöldigdj , beschuldigen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
beschuldigen , besjöljige , werkwoord , besjöljigtj, besjöljigdje, besjöljigdj , beschuldigen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal