elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: besef

besef , bezèi , onzijdig , besef, begrip, inzicht. Hae haet gei bezèi mee: hij is buiten kennis.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
besef , besef , het , besef, benul Die ollegies hebt er gien besef meer van dat het zo duur is (Rol), Dat kind hef ʼt besef nog niet (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
besef , besef , besef. Gunninks woordenlijst van 1908: IJ ef der niks gien besef van ‘hij begrijpt er niets van’
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
besef , besef , zelfstandig naamwoord , et 1. het zich bewust zijn, tegenwoordigheid van geest 2. voorstelling, benul
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
besef , bezej(je) , besef, notie, benul; zónger bezej(je) – zonder zijn verstand te gebruiken; waat ein bezej óm zoeëget te doôn – wat onnadenkend om zoiets te doen zie ook achtergedecht, uëverlèk
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal