elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: besnuiten

besnuiten , [bedriegen] , besnü̂ten , (sterk werkwoord) , bedriegen.
Bron: Gallée, J.H. (1895), Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect, aanhangsel Twents
besnuiten , besnuten , (besnuiten) = beletten; beperken; iemand besnuten = hem verhinderen zijn plan uit te voeren. Ook: hem minder loon, vrijaf, enz. te geven.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
besnuiten , besjnautse , besjnautsde zich, haet zich besjnauts/besjnótsde zich, haet zich besjnóts , zich besjnautse, bekijken. Dat mót ich ’ns gout besjnautse: dat moet ik eens goed bekijken, zie ook: besjnótse.; besjnótse zich besjnótse, bekijken, zie ook: besjnautse.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
besnuiten , besnautse , werkwoord , besnautsjtj, besnautsjdje, besnautsjdj , (nieuwsgierig) bekijken
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal