elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: bijze

bijze , bijs , voor onweersbui, ook wel voor eene koude regenbui. Voor bijze geeft Meijer noordewind, storm, onweer.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
bijze , [regenbui] , bîze , (vrouwelijk) , regenbui.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
bijze , bies , (vrouwelijk) , bieze , bieske , korte, hevige regenbui , Ónger ’t fietse krege wae ein flinke bies t’r op.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
bijze , bies , zelfstandig naamwoord , bieze , bieske , 1. regen-, hagel-, sneeuwbui ook buuj 2. bevlieging 3. opvlieger (Frans: bise – noordenwind, noordoostenwind)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal