elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: blutsen

blutsen , blutsen , (blussə) , (zwak werkwoord, intransitief) , Zie de wdbb. Ook afsplinteren, door aanstoten afscherven. Zie bluts. || Porselein is wel sterk, maar ’et blust licht. Een geblust kopje.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
blutsen , blötsje , blötsjde, haet of is geblötsj , indeuken.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
blutsen , blötsje , werkwoord , blötsjde, geblötsj , deuken , VB: Pas op, blötsj de appele neet!; kneuzen blötsje VB: Pas op, blötsj die appele neet, ze môtte nao de vyling
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
blutsen , blutse , werkwoord , slootje springen (Den Bosch en Meierij)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
blutsen , blutse , blutstj, blutsdje, geblutstj , blutsen, kneuzen , Eine geblutsdje appel weurtj gauw rot.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
blutsen , blutse , werkwoord , blutsjtj, blutsjdje, geblutsjdj , 1. een beurse plek in een appel veroorzaken: eine geblutsjdje appel – een appel met een beurse plek 2. een deuk in een auto veroorzaken 3. een buil op het hoofd
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
blutsen , blutse , zwak werkwoord , blutse - blutste - geblutst , butsen; kneuzen; 'butse' van vallend fruit; WBD III.2.3:159 'blutsen' = idem, ook 'kneuzen'; WNT BLUTSEN - stooten of slaan, inz. met de bijgedachte dat er eene of meer blutsen ontstaan. ... c) van vruchten
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal