elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: boebabel

boebabel , boebabel , zelfstandig naamwoord , boebabels , boebaebelke , 1. duivel 2. niet bestaande schrikaanjagende figuur die zich zou verbergen op bepaalde plaatsen en waarmee men de kinderen dreigde als ze niet wilden gehoorzamen: dalik kum(p)tj de boebabel óm dich mèt te numme – zo meteen komt de ‘boebabel’ je halen (Oost- Vlaams: baboe – schrikaanjagend wezen, waarschijnlijk te identificeren met het Engelse baboon – baviaan, wangedrocht) zie ook aoveskat
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal