elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: brossel

brossel , brussel , "voor klein stukje van bijv. van turf, kalk; [brokje of kruimel van brood, jb]."
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
brossel , broozel , vrouwelijk , broozele , bröözelke , koffiedik.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
brossel , brozel , zelfstandig naamwoord , brozels , breuzelke , dikke puist (in het gezicht) ook bróbbel
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal