elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: buidel

buidel , buuel , mannelijk , buuele , buuelke , buidel; nietswaardige vent. Dat hink noch in wie buuele: dat is een nog onzekere zaak. Betaale mit toe buuele: betalen met gesloten beurs. Den eine haet de buuel, den angere ’t geljt: de een is arm, de ander rijk. ’t Kump van de za
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
buidel , budeltien , zelfstandig naamwoord , et; fluwelen tasje
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
buidel , bujel , zelfstandig naamwoord , bujels , bujelke , 1. buidel; betale mèt toew bujels – betalen in natura, zonder geld, met dichte portemonnees (bijvoorbeeld door de molenaar een deel van het meel te geven als loon voor het malen) 2. balzak; dao kries se eine volle bujel van(ne) – daar word je geil van 3. een vervelende vent, een klootzak
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal