elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: buikpijn

buikpijn , buukpien , v , buikpijn. ’k vergoi hóst van de buukpien Ik verga bijna van de buikpijn.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
buikpijn , boekpien , mannelijk , buikpijn.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
buikpijn , buukpinj , pijn in de buik.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
buikpijn , boekpiene , buikpijn.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
buikpijn , boekpiene , buikpijn, maagpijn. Ook: boekzeerte
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
buikpijn , boekpiene , buikpijn
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
buikpijn , bûkpént , buikpijn , Koppént is eetpént, bûkpént is schétpént. Hoofdpijn is eetpijn, buikpijn is schijtpijn. Hoofdpijn kun je van honger krijgen, buikpijn van teveel eten.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
buikpijn , boekpiene , zelfstandig naamwoord , de; buikpijn
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
buikpijn , [pijn in de buik of darmen] , boekpiene , (zelfstandig naamwoord) , buikpijn. Zie ook: boekzeerte, balgsmarten.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
buikpijn , boikping , zelfstandig naamwoord , buikpijn (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
buikpijn , boekpien , buikpijn ook penspien
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
buikpijn , boêkpien , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , buikpijn
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
buikpijn , bökpènt , bèùkpènt , zelfstandig naamwoord , buikpijn; Dirk Boutkan: (blz. 33) bökpènt; Ik krèèg bökpènt van oew gezêever. - Ik krijg buikpijn van je geklets; Cees Robben – Buikpent menneke..?! (19670804); Cees Robben – Ik heb bökpent moeder.. Dan bidde mar tot Sinte Piet det vur oew gat schiet... (19841102); Zôo wè iederéén rolde bekaant van zenne stoel, van et laage. Bökpènt han we’r van gekreegen. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 2, Tilburg 2007; A.P. de Bont, Dialect v. Kempenland (1958): zelfstandig naamwoord vr. 'buikpijnt' - l) buikpijn; een synoniem is 'pänspent 2) hartzeer, chagrijn, spijt: 'Hij zal er wel bökpent af hebbe'; Jan Naaijkens - Dè's Biks - 1992 – ; (1992): bökpènt - buikpijn
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
buikpijn , boekpie~n , buikpijn
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal