elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: buitelen

buitelen , buiteln , zwak werkwoord, onovergankelijk , buitelen, vallen Hij buitelde van de waogen of (Eel), Hij is naor de sloot in ebuiteld (Nije), De kinder waren an het koppeltien buiteln kopje duikelen (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
buitelen , buitelen , buitelen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
buitelen , buitelen , werkwoord , buitelen, tuimelen, struikelen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
buitelen , butele , werkwoord , buteltj, buteldje, gebuteldj , buitelen
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal