elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: buitenlicht

buitenlicht , buitenlicht , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , zie binnenlicht.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
buitenlicht , boetenlocht , de , buitenverlichting Ze hebt het boetenlecht anlaoten (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
buitenlicht , buterlocht , butenlocht , zelfstandig naamwoord , et; buitenlicht, buitenlamp
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
buitenlicht , boetelucht , zelfstandig naamwoord , boeteluchte , boeteluchtje , buitenlantaarn
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal