elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: crapuul

crapuul  , krepül , uitvaagsel.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
crapuul , krapuul , zelfstandig naamwoord onzijdig , [geen mv.] , gepeupel
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
crapuul , krepuul , (onzijdig) , crapuul, uitschot
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
crapuul , kerpuul , gespuis ook gespuus, gevuchel, krepuul, tg (van het Franse crapule)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
crapuul , krepuul , gajes, schorem (Frans: crapule) ook gespuus, gevuchel, kerpuul, tg
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
crapuul , krepuul , zelfstandig naamwoord, onzijdig , gespuis
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
crapuul , skrepuul , zelfstandig naamwoord , Henk van Rijen – min iemand (Fr. crapule) vD crapule, crapuul, krapuul -; janhagel gespuis
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal