elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: doel

doel , doel , (zelfstandig naamwoord) , Merkteken, paaltje, waarmee de grens tussen twee percelen land wordt aangegeven. Thans verouderd, maar nog over in afdoelen; zie aldaar. – Op Marken beduidt dool nog eigendomsmerk (Taal- en Letterb. 2, 64). – Zie verder over dit woord Mnl. Wdb. II, 229, GRIMM, D. Wtb. II, 1227, HALBERTSMA 775, enz., en vgl. dule.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
doel , dool , zelfstandig naamwoord, onzijdig , uiteindelijke bedoeling. Gin dool hebm, geen zin, geen reden hebben
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
doel , doel , mannelijk , doele , doel; schietstand.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
doel , doel , zelfstandig naamwoord , schietbaan. 1. Een afgezette baan voor boogschutters met aan weerszijden houten schotten en op het eind een roos (doel). De schuttersgilden hadden vroeger hun doel langs de straat die nu Doelenstraat heet. Naast de gilden waren er twee handboogschutterijen. “De Vrolijke Schutters” hadden hun doel achter het café van Jan Loyens aan de Diessenseweg (nu: De Posthoorn). “Amicitia” schoot op d’n doel van Café van Dal, Tilburgseweg. Ook in De Tent en in D’n Hemel waren eerlang schutterijen gehuisvest. 2. D’n doel werd ook gebruikt om de schutterij zelf aan te duiden: “Hij is bè d’n doel.”3. Ook Esbeek kent z’n doel, namelijk de Handboogschutterij “Oefening en Uitspanning” die in 1878 werd opgericht.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
doel , doel , dooul, dool, doul , doelen , Ook dooul (Midden-Drenthe), dool (Midden-Drenthe), doul (Kop van Drenthe). Deze var alleen in bet. 1. tot 3 = 1. doel As wij fietsen gaot, moew een dool hebben (Hijk), Het is veur een goed doel (Hol), Het doel heiligt de middeln (Odo) 2. bedoeling Hij hef der een doel mit (Hgv), Mit wat veur doel maak ie det? (Bro) 3. zin (Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid) Die huifs nich langer zuiken, dat hef gin doel (Bov) 4. doel Een keeper mot zien doel schoonholden (Eex) 5. doelpunt De midveur mèuk het eerste doel (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
doel , doel , handboogschutterij. d’n doel.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
doel , doel , doel
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
doel , doel , zelfstandig naamwoord , et 1. mens, dier, voorwerp dat men probeert te raken 2. punt waar men naar toe wil, eindpunt 3. goal 4. dat wat men nastreeft, plan dat men heeft, iets dat men ziet zitten om 5. het gemotiveerd zijn om te doen 6. bedoeling 7. in een goed doel een bestemming (vooral: van geld) die om sociale redenen erg goed is
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
doel , doel , grenspaal.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
doel , den doel , handboogschutterij
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
doel , doel , zelfstandig naamwoord, mannelijk , doele , schietbaan (boogschieten), vereniging (boogschieten)
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
doel , doel , zelfstandig naamwoord , Frans Verbunt: schietbaan voor handboogschutters: 'den doel'; Cees Robben – ‘k Keek is in den doel... (19560714); WBD (III.3.2:226) doel of guld - vereniging van boogschutters
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal