elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: doorlopen

doorlopen , deurloopen , men zegt: het loopt er bii hem deur, hij is geheel buiten kennis, hij is aan het ijlen!
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
doorlopen , deurloopen , (doorloopen), in den zin van: verbijsterd worden, aan verstandsverbijstering lijden; ’t lopt hōm deur (= om de kop) = hij is niet wel bij ’t hoofd, hij maalt. – Ook schertsend wanneer iemand iets beweert waarvan men de ongerijmdheid niet dadelijk kan of wil aantoonen: loptie ’t deur? (= bist wel goud?) = zijt gij gek? gij raaskalt, praat maar toe.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
doorlopen , doorlopen , (sterk werkwoord) , Daarnaast deurlopen. Zie de wdbb. ‒ Deurlopend krediet, schertsende benaming voor een geheim gemak.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
doorlopen , deurloupe , werkwoord , Ook: 1. Doorlopen, schiften (van melk). 2. Seniel of kinds worden, wartaal uitslaan.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
doorlopen , doorloupe , dooreen gevloeid.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
doorlopen , doorloupe , leip door, is doorgeloupe , doorlopen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
doorlopen , deurlopen , sterk werkwoord, onovergankelijk , 1. door’lopen Ie hebt de schoenen jao helemaol deurlopen (Hijk), Ik heb mie de vouten deurlopen kapotgelopen (Bov) 2. dooreen lopen Dat wit en rood is hielemaole deur elopen (Noo) 3. (onpers.) malen (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, noord, Veenkoloniën) Het begunt hum deur te lopen (Pei), Hij is een beetien aordig, net of het hum bij toeren een beetien deurlöp (Smi), Het lop mij een beetie deur het is mij te veel (Die) 4. doorgaan A’k zo naor de locht kiek, mij dunkt, dat lop nog wel een toertie deur het weer blijft nog zo (Vri) 5. verder lopen Jongs deurlopen, aans koj te laat (Oos), Het lopt nog aal deur, ik har nait dacht, dat er nog zoveul in het vat zat (Twe)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
doorlopen , deurlopen , sterk werkwoord, overgankelijk , doorlo’pen Hij hef de heile schoule deurlopen en is nooit zitten bleven (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
doorlopen , deurlopen , werkwoord , 1. blijven lopen, z’n lopen vervolgen 2. flink blijven lopen, vooral niet langzamer gaan lopen 3. lopend gaan door iets (en evt. bewerken) 4. doornemen, nog eens nagaan, inspecteren 5. doorgaan, blijven gebeuren, nog geen einde vinden 6. verkering blijven hebben (ook: en maar niet trouwen) 7. een verder verloop hebben, niet ophouden 8. zijn weg nemen door, bijv. et hiele dörp deurlopen 9. mengen met andere kleuren 10. door blijven lekken, stromen 11. blijven komen (en evt. gaan) van mensen 12. te veel aan z’n hoofd hebben, zodat men z’n zaken niet meer op een rijtje houdt, ook sterker: gaan malen, bijna gek worden 13. vergeten
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
doorlopen , deurlôôpe , werkwoord , lôôp deur, liep deur, deurgelôôpe , doorlopen, verder lopen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
doorlopen , deurlôôpe , werkwoord , doorlopen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
doorlopen , deurlopen , (werkwoord) , doorlopen. A-j uut skoele kommen, mu-j goed deurlopen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
doorlopen , doorloupe , doorlopen
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
doorlopen , doorlaupe , werkwoord , löptj doôr, leep doôr, doorgelaupe , 1. doorlopen 2. spelletje in de jaren vijftig op de jongensschool dat erin bestond van de ene kant van de speelplaats naar de andere kant te lopen zonder door de vanger, die midden op de speelplaats stond, driemaal op de rug te worden getikt
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
doorlopen , durlôope , sterk werkwoord , durlôope - liep deur - durgeloope , doorlopen; Cees Robben: òf ie durlópt blèèft de vraog; Henk van Rijen: ze riepe 'durlôope' èn ek krêeg nen douw; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DEURLOOPEN - heenloopen, wegloopen; voorbijloopen; verder loopen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal