elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: droogworst

droogworst , dreuchwoosj , vrouwelijk , dreuchweusj , dreuchweusjke , cervelaatworst.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
droogworst , druuëchwoorst , soort worst: metworst.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
droogworst , [droogworst] , druuegwoos , druuegwoost , (vrouwelijk) , 1. droogworst, cervelaatworst of metworst 2. een onnozel iemand
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
droogworst , druëgwóst , zelfstandig naamwoord , druëgwóste , druëgwustje , cervelaatworst (vergelijk het Franse saucisson sec – letterkijk ‘droge worst’)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
droogworst , druuëgworst , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , druuëgworste , druuëgwörs(t)je , cervelaatworst, droogworst
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal