elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: duchtig

duchtig , duchtig , voor geducht, degelijk als bijv. nw. of als (bijwoord) , Iemand een duchtig pak slaag geven, iemand duchtig de waarheid zeggen.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
duchtig , duchteg , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , flink, erg
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
duchtig , duchtig , flink, stevig [Oe]
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
duchtig , duchtich , duchtigger, duchtichste , duchtig. Ein duchtich kénjt: een flink meisje.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
duchtig , duchtig , fleenk.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
duchtig , duchtig , bijwoord , (Zuidwest-Drenthe) = flink Het spookt daor duchtig (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
duchtig , duchtig , bijvoeglijk naamwoord , duchtige , geducht ook doreweg, rissenabel
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
duchtig , töchtig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , (Nederweerts) flink
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
duchtig , töchtig , duichtig , bijwoord , eerste vorm Nederweerts; tweede vorm Ospels; duchtig, hevig
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
duchtig , dichtig , duchtig
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal