elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dul

dul , [droog, stug] , dul , van het haar gezegd: droog, stug.
Bron: Beets, A. (1954), ‘Leidse woorden en uitdrukkingen’, in: Bicker Caarten, A. (red.), Leids Volksleven, Leiden: Sijthoff
dul , dul , dulder, dulste , dol; draaierig, duizelig. Zoo dul wie ẹ kuuke: erg draaierig.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
dul , dul , bijwoord , dol, gek; Hij’s dul van nijd Hij is gek van nijd
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
dul , dul , bijvoeglijk naamwoord , dulle , 1. duizelig: zoeë dul wie ei(n) kuke – niet in staat om rechtop te staan; dul in het krts – niet vast ter been als gevolg van het gebruik van een paar glaasjes alcoholhoudende drank, met name bij een (vrouws)persoon die geen alcohol gewend is ook duzelig 2. dolgedraaid (van een schroef)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal