elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dullen

dullen , dulle , dulde, haet gedult , zinloos praten; ijlen. In ’t vruijaor en ès blaar valle, duit er gėt: in het voor- en najaar is hij erg in de war.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
dullen , dulle , werkwoord , dultj, duldje, geduldj , 1. wartaal uitslaan 2. uitgelaten handelen, gekheid maken zie ook duilese, kuite, sjoutere, wanne, wuilese
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal