elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fietsstoeltje

fietsstoeltje , fietsnsteulken , zelfstandig naamwoord , kinderzitje op een fiets
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
fietsstoeltje , [fietsstoeltje] , fietsesteulke , (onzijdig) , fietsstoeltje
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
fietsstoeltje , fietsesteulke , zelfstandig naamwoord , fietsesteulkes , 1. bagagedrager ook pinke, steulke 2. kinderstoeltje voor op de fiets
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal