elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fispernullen

fispernullen , [prutsen] , fispernölle , fispernöltj, fispernöldje, gefispernöldj , prutsen, met een hobby bezig zijn , Doe fispernöls mich get inein!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
fispernullen , fispernulle , werkwoord , fispernultj, fispernuldje, gefispernuldj , 1. knutselen 2. morrelen (Keuls: fisternölle)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
fispernullen , fispernölle , fisternölle , werkwoord , knutselen, prutsen; vispernulle klungelen, knutselen
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal