elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: flares

flares , flaarẹs , mannelijk , flaarẹsse , flap-uit; dwaze vent.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
flares , flares , flap. (WLD III 1.4, 34)
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1989), È maes inne taes. Plat Hôrster, Horst.
flares , flaaris , zelfstandig naamwoord , sul (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
flares , [gek] , flaeres , flares , (mannelijk) , flaerese , flaereske , gek, flapuit, iemand die zich gek en uitgelaten gedraagt, zie ook flabbes, flabbejaan, flap, flapjanus, flup
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
flares , flares , zelfstandig naamwoord , flarese/floeërese , flaereske/fluëreske , gek ook flabbes, flap, floeëres; floeëres gek ook flabbes, flap, flares
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
flares , flares , zelfstandig naamwoord, mannelijk , flarese , lummel
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal