elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: fluiter

fluiter , fluitert , mannelijk , wrongel, zoetemelkskaas, kwark.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
fluiter , fluiter , floiter , zelfstandig naamwoord , fluiters, floiters , fluitertie, floitertie , holle of voze aardappel; floiter [O] door muizen of slakken aangevreten aardappel D’n dellef gao maor slecht; d’r binne veul kwaoje in en nogal wat floiters De aardappeloogst gaat slecht; er zitten veel rotte en aangevreten exemplaren tussen Ook fluiter
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
fluiter , fluiterd , zie fluitekiës
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
fluiter , fluitert , zelfstandig naamwoord, mannelijk , fluitkaas, hang-op
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal