elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: groei

groei , [wasdom] , grö̂j , (mannelijk) , groei.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
groei , grui - blui , (groei - bloei); zit gijn grui of blui in = het kind groeit niet en ziet er in ’t geheel niet bloeiend uit; bij v. Dale: dat kind kan hier groeien noch bloeien.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
groei , grö̂j , Groei. Ik kan d(i)ee boomen maor n(i)eet an de grö̂j krîgen. Jan hef de vrouwe weer an de grö̂j (in blijde verwachting).
Bron: Draaijer, W. (1896). Woordenboekje van het Deventersch Dialect. ’s-Gravenhage: Martinus Nijhoff
groei , grö̂j , Groei. Ik kan d(i)ee boomen maor n(i)eet an de grö̂j krîgen. Jan hef de vrouwe weer an de grö̂j (in blijde verwachting).
Bron: Draaijer, W. (2e druk 1936), Woordenboekje van het Deventersch Dialect, Deventer: Kluwer.
groei , greuj , zelfstandig naamwoord, mannelijk , groei
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
groei , grèùj , groei, wasdom, levenskracht in planten.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
groei , gruuj , groei.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
groei , grui , greui, graai , (Zuidoost-Drenthe, Zuidwest-Drenthe, zuid, Noord-Drenthe met rekking ). Ook greui (Zuidwest-Drenthe, Midden-Drenthe), graai (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. groei, het groeien As kinder in de grui bint, mut ze flink èten (Koe), ...in de grui zit... (Klv), De grui zit er goed in (Hgv), Die leu hadden armetierige kinder, daor zat gien grui of blui in (Bei), Dat jassie is op de grui maokt (Eco), Die vrouw zit in de grui moet bevallen (Eex) 2. groeikracht In die vruchten zit niet veul grui meer in, het is ook veul te dreug (Eex), As der mor regen valt, dan is de grui der zo wèer (Hijk)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
groei , gruui , gruj, grui , zelfstandig naamwoord , de; groei, groeikracht
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
groei , greuj , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , groei , greuj VB: Uüver de greuj van de mais zién v'r kentént.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
groei , gruui , (zelfstandig naamwoord) , groei.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
groei , gruuj , (mannelijk) , groei , Inne gruuj zeen.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
groei , gruuj , groei; kleier oppe gruuj kaupe – te grote kleren kopen (voor kinderen), zodat ze ook nog kunnen worden gedragen als de kinderen groter worden
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
groei , gruj , zelfstandig naamwoord, mannelijk , groei
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal