elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: grootje

grootje , grootje , in: noa zien grootje goan = naar den kelder gaan, enz. staat het voor: grootmoeder, in den zin van: ad patres gaan. – Ook = aanzienlijke, voornaam persoon. Zie ook: grooten, en: giechōm.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
grootje , grootje , (zelfstandig naamwoord onzijdig) , Zie de wdbb. – Grootje Grovekoek, schertsende benaming voor iemand, die schor is. || Wel, wel, grootje Grovekoek, hou je mond maar. – Zie een zegsw. op duivel, en vgl. ootje.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
grootje , grötje , v , grootmoeder, oma.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
grootje , groôtje , zelfstandig naamwoord ’t , in de zegswijze nei z’n groôtje, kapot | ’t Hêle zoôtje is nei z’n groôtje. Mogelijk letterlijk naar zijn grootmoedertje (die reeds dood of ‘kapot’ is).
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
grootje , grutje , zelfstandig naamwoord , grootje, ’t Woord grootmoeder wordt alleen in het sprookje van Roodkapje gebruikt. Maar men zegt wel: grutvaoder.
Bron: Naaijkens, J. (1992), Dè’s Biks – Verklarende Dialectwoordenlijst, Hilvarenbeek
grootje , groffie , zelfstandig naamwoord , grootvader (KRS Werk; LPW: Lop)
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
grootje , grùtje , oma.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
grootje , grôôtjie , zelfstandig naamwoord , grôôtjies , grootmoedertje As m’n vader ’t over zijn opoe had zee die ‘grôôtmoeder Krijna’, maor astie tege d’r praotende zee die ‘grôôtjie’ Als mijn vader het over zijn grootmoeder had zei hij ‘grootmoeder Krijna’, maar als hij tegen haar praatte zei hij ‘grootje’; Nae z’n grôôtjie Helemaal kapot Nae een uurtie was ‘t speulgoed al nae z’n grôôtjie Na een uurtje was het speelgoed al helemaal kapot Zie ook over de huize, om krôôsies, naer de mezjère, naer de maegaere
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
grootje , grötje , grootmoeder, oma
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
grootje , grwotje , grootmoeder (zie opoe)
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
grootje , grutje , opoe, grootje
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
grootje , grötje , grutje , zelfstandig naamwoord , grootmoeder (Land van Cuijk); grutje; grootmoeder (Den Bosch en Meierij; Eindhoven en Kempenland; Helmond en Peelland; Tilburg en Midden-Brabant)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
grootje , [grootmoeder] , gruuetje , groeatje , (onzijdig) , grootmoeder, zie ook groeatmoder
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
grootje , groeëtje , zelfstandig naamwoord , groeëtjes , grootmoeder
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
grootje , groeëtje , gruuëtje , groeëtjes/gruuëtjes , (verkleinwoord) oma
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
grootje , grutje , zelfstandig naamwoord , 1. meestal de oma, grootmoeder, het grootje; Pierre van Beek – grut - grote grootmoeder, b.v. 'ónze grut'; Kees en Bart – Tilburgsche Post ca. 1935 – grutmoeder; Cees Robben – Ons grutje (19601118); Dialectenquête 1876 - grutje - grootmoedertje; WBD III.2.2:62 'grootje' = grootmoeder, ook 'opoe'; Jan Naaijkens - Dè's Biks (1992) - grutje zelfstandig naamwoord  - grootje ('grootmoeder' wordt alleen in het sprookje van Roodkapje gebruikt); 2. soms ook meervoudig: de grootouders, zonder geslachtsonderscheid; och, en et wieren zoo'n pronte grutjes!  (Piet Heerkens; uit: De Kinkenduut, ‘Van Kees en Kee’, 1941)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal